Het middelpunt
Dwars door onze stad loopt de Rijn,
een rivier die zacht het rumoer doorbreekt.
Ze draagt verhalen mee van vroeger en van nu,
fluistert langs kades waar de tijd even verbleekt.
De oude en nieuwe brug buigen zich als oude wachters,
straten ademen mee op haar getijden.
In het water danst het licht van lantaarns,
alsof de nacht zelf wil blijven glijden.
Mensen haasten, leven, dromen langs haar oevers,
maar de rivier kent geen haast, geen strijd.
Ze stroomt — onverstoorbaar, eigenzinnig —
een stille hartslag door de stad verspreid.
En wie even stilstaat aan haar rand,
hoort hoe noord en zuid samen zingen:
een lied van beweging, van blijven en gaan,
van een rivier die alles verbindt,
en over Schaarsbergen en Schuytgraaf blijft zingen.